De Amazones van Der Blaue Reiter

20 10 2011

In 2011 is het precies 100 jaar geleden dat de kunstenaarsgroep Der Blaue Reiter werd opgericht. In de hedendaagse kunstbeleving is Der Blaue Reiter onherroepelijk verbonden met de uit Rusland afkomstige Wassily Kandinsky. Daar heeft hij zelf ook wel voor gezorgd door als woordvoeder naar buiten te treden en ook in latere tijden steevast zijn eigen rol te benadrukken. Toch is Der Blaue Reiter het resultaat van verschillende kunstenaars: mannen en vrouwen. Het grote publiek is vooral bekend met de mannelijke kunstenaars: Wassily Kandinsky, Franz Marc en August Macke. Helaas staan de vrouwelijke kunstenaars nog altijd in de schaduw van hun mannelijke collega’s…… Tijd om kennis te maken met de Amazones van Der Blaue Reiter.

  

München 1900
Toen Kandinsky in 1896 naar München kwam, had de stad al een behoorlijke reputatie opgebouwd als cultuurstad. Het  artistieke klimaat rond de eeuwwisseling had een grote aantrekkingskracht op schilders, beeldhouwers, architecten, ontwerpers, componisten en schrijvers. Bovendien was het dé stad van de Jugendstil. Veel kunstenaars kwamen uit Rusland, Oost- en Midden-Europa om kennis te maken met het avant-gardisme, bovendien zagen sommigen München als springplank naar het westen, met name naar Parijs. Kandinsky had Rusland verlaten om kunstenaar te worden. Na het zien van enkele ‘Hooibergen’ van Claude Monet in Moskou kon hij zijn idee over de samenhang tussen kleuren en klanken niet meer uit z’n hoofd zetten ….. en vertrok naar het westen. In 1902 ontmoette Kandinsky de kunstenares Gabriele Münter en gedurende vele jaren zouden zij elkaar wederzijds inspireren: een ware kunstbestuiving was het gevolg. In 1896 waren ook Alexej Jawlenksy en Marianne Werefkin vanuit Rusland naar München gekomen en een ontmoeting met landgenoot Kandinsky was onvermijdelijk . Pas 10 jaar later zou deze kennismaking haar vruchten afwerpen en uitgroeien tot een vriendschap die artistiek heel essentieel zou worden en de basis werd van Der Blaue Reiter.

Marianne Werefkin (1860-1938)

Ich schaffe mir ganz bewußt Illusionen und Träume.
Darin bin ich Künstler. Ich bin mehr Mann als Frau.
Allein das Bedürfnis zu gefallen und das Mitleid machen mich zur Frau.
Ich bin nicht Mann, ich bin nicht Frau, ich bin Ich.

 

Marianne Werefkin kwam uit een aristocratische familie. Toen haar ouders ontdekte dat zij talent had voor schilderen, kreeg zij verschillende privéleraren, waaronder Ilja Repin. In de daarop volgende jaren werd Werefkin zeer succesvol en beroemd als de ‘Russische Rembrandt’. In 1888 raakte zij gewond tijdens de jacht, zij schoot in haar schildershand (rechts) en moest voortaan haar middelvinger missen. Het herstel ging voorspoedig en zij kreeg zelfs een huwelijksaanzoek van de behandelende arts, dat zij afwees: zij wenste geen ‘doktersvrouw’ te worden. Haar passie lag bij de schilderkunst en haar wens was door Europa te reizen om nog meer kunst en cultuur te ontdekken. In 1892 ontmoette zij Alexej Jawlensky in het atelier van Repin en was meteen gefascineerd door zijn verschijning. Jawlensky stond nog aan het begin van zijn carrière en Werefkin besloot het op zich te nemen om hem te doceren. Zij was overtuigd van zijn talent en vroeg hem met haar door Europa te reizen. In 1896 kwamen ze in München aan: Werefkin, Jawlensky en het negenjarige kamermeisje Helene.

Werefkin had inmiddels haar penselen neergelegd om Jawlensky te behoeden voor enige vorm van jaloezie haar kant op. Zij stimuleerde hem een ‘grote meester’ te worden en deed alles wat in haar macht lag om dit te bereiken. In München ging zij Salons organiseren, die druk bezocht werden. Werefkin was ervan overtuigd dat slechts mannen succesvol konden worden als kunstenaar en vrouwen hier een bijdrage aan dienden te leveren…. Als dank voor al haar inspanningen werd in 1902 de zoon van Jawlensky geboren, die hij verwekt had bij het kamermeisje Helene. Werefkin wist dat Jawlensky een rokkenjager was, dit was echter een zeer pijnlijke situatie. Jawlensky zou ruim 20 jaar later, op sterk aandringen van zijn zoon, trouwen met Helene.

Omdat Jawlensky gefaald had in succesvol worden, begon Werefkin haar ideeën in een dagboek “Lettres à un Inconnu” uit te werken. Daarin beschrijft zij o.a. hoe kunst vanuit een spiritueel bewustzijn wordt geboren. Zonder dat haar dagboeken gepubliceerd zijn, heeft de kunstwereld toch kennis kunnen maken met haar gedachtegoed want  in 1911 publiceert Kandinsky een essay “Über das Geistige in der Kunst” waarin hij, zonder bronvermelding, al haar ideeën beschrijft. Vanaf 1908 gingen zowel Kandinsky & Münter als Werefkin & Jawlenksy in Murnau wonen. Het contact werd intensiever en Kandinsky luisterde heel graag en aandachtig naar alles wat Werefkin vertelde…..

Ondertussen had Werefkin vanaf 1906 haar penselen weer opgepakt en schilderde zij naar hartelust. Bovendien werden haar werken op menig tentoonstelling geëxposeerd. Dat zij een van de grondleggers was van Der Blaue Reiter staat tegenwoordig buiten kijf, al zal het grote publiek  nog altijd aan Kandinsky denken……

Door de politieke situatie in Europa (uitbreken Eerste Wereldoorlog en Russische Revolutie) vluchtten Werefkin, Jawlensky, zijn zoon en Helene naar Zwitserland. Na het huwelijk van Jawlensky met de moeder van zijn zoon, ging Werefkin naar Ascona, waar zij tot haar dood bleef wonen en werken. In Ascona bevindt zich de Fondazione Marianne Werefkin

Ich will arbeiten bis zur Tollheit. All mein Sinnen und Trachten gehört der Arbeit. Werefkin 1902

 

Gabriele Münter (1877-1962)

   

Gabriele Münter, geboren in Berlijn, was als kind al veel aan het tekenen en schilderen. Heel graag had zij een academische opleiding gevolgd, maar destijds was het vrouwen nog niet toegestaan om deze opleiding te volgen en van de kunst hun professie te maken. Wel waren er schilderscholen speciaal voor vrouwen, maar dat vond Münter saai. Toen haar ouders overleden waren en zij een erfenis had gekregen, ging ze met haar zussen naar de Verenigde Staten (op familiebezoek). Ruim 2 jaar trokken de dames rond en Münter heeft van deze reis vele foto’s gemaakt, naast schilderen een van haar artistieke bezigheden.

In 1901 keerde Münter terug naar Duitsland en vestigde zich in het avant-gardistische München, waar zij Kandinsky ontmoette. Zijn anti-academische houding sprak haar zeer aan: hij was een voorstander van buiten schilderen, in de open lucht, net als Monet. Er was direct sprake van een wederzijdse aantrekkingskracht tussen beide personen, maar Kandinsky was nog getrouwd (en zou dat blijven tot 1911). Toch verloofde het paar zich in 1903 en leefde openlijk met elkaar samen. Om niet steeds in de nabijheid van Kandinsky’s vrouw te zijn, gingen zij reizen door Europa en Noord-Afrika. In Parijs raakte Münter gefascineerd door de werken van Les Fauves, die net tentoongesteld waren op de Salon d’Autumn.

In 1908 kwamen Kandinsky en Münter weer naar München en begin 1909 kocht Münter een huis in Murnau, dat al snel het ‘Russische Huis’ genoemd vanwege de vele (Russische) kunstenaars die hier samenkwamen en elkaar inspireerden. het is in dit huis dat de plannen gemaakt werden voor Der Blaue Reiter. Naast Münter, Kandinsky, Werefkin en Jawlensky kwamen nu ook o.a. Franz Marc en zijn vrouw Maria, August Macke en zijn vrouw Elisabeth en de componist Arnold Schönberg naar Murnau. Zowel de schilderkunst als de muziek werd in deze jaren steeds abstracter.

In december 1911 werd de eerste tentoonstelling van Der Blaue Reiter gehouden in Galerie Thannhauser in München. De naam Der Blaue Reiter was oorspronkelijk bedoeld als naam voor een Almanak, die jaarlijks zou verschijnen. Kandinsky’s uitleg over de naam: ‘Marc en ik hielden allebei van paarden én van blauw: dan is het snel geregeld!‘….

Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog moest ook Kandinsky vluchten, via omwegen keerde hij terug naar Rusland. Münter verbleef in Scandinavië en wachtte tot hij terug zou komen. In 1916 zouden ze elkaar voor het laatst zien, daarna verbrak Kandinsky alle contact. Jaren later hoorde zij dat hij in 1917 getrouwd was met de 16-jarige moeder van zijn enige zoon (die slechts 2 jaar heeft geleefd) ‘hij wist ook niet hoe zij zwanger was geworden, maar een man dient zijn verantwoording te nemen’……

De schok voor Münter was groot en tot 1925 heeft zij niet kunnen schilderen, pas in 1931 keerde zij terug naar Murnau met haar nieuwe levenspartner Johannes Eichner. Net als Werefkin is ook Münter blijven schilderen tot haar dood. Kandinsky heeft de werken uit zijn Murnau-periode nooit meer terug gezien, Münter weigderde deze terug te geven. Toen Kandinsky het uiteindelijk tot een rechtzaak liet komen, heeft de rechter Münter gelijk gegeven en mocht zij de werken houden als een soort alimentatie. Toen zij stierf, heeft zij alle werken (die van Kandinsky, haarzelf en andere leden van Der Blaue Reiter) geschonken aan de Städtische Galerie im Lenbachhaus in München. Haar huis in Murnau is tegenwoordig opengesteld voor publiek.

Ich habe da (in Murnau) nach kurzer Zeit der Qual einen großen Sprung gemacht -vom Naturabmalen, mehr oder weniger impressionistisch- zum Fühlen eines Inhalts, zum Abstrahieren, zum Geben eines Extrakts. Münter 1911

Andere vrouwelijke kunstenaars die betrokken waren bij Der Blaue Reiter:
Maria Marc (1876-1955)

 

Maria Marc, geboren Franck, kwam uit Berlijn. Al op jonge leeftijd werd haar talent ontdekt en kreeg zij scholing in teken- en schilderkunst. In 1903 ging zij naar München om te studeren aan de speciale vrouwenacademie:  Künstlerinnen-Verein München. Twee jaar later ontmoette zij Franz Marc op een feest, maar ze verloren elkaar weer uit het oog. Maria Franck ging vervolgens naar de kunstenaarskolonie Worpswede om lessen te volgen bij Otto Modersohn. Begin 1906 ontmoetten Franz Marc en Maria Franck elkaar weer. Marc had intussen een relatie gekregen met Maria Schnür, maar nodigde Maria Franck toch uit om naar Kochel am See te komen. In de zomer van 1906 leidde Marc een ménage-à-trois met de twee Maria’s. De foto’s die er uit deze tijd bewaard zijn gebleven, geven duidelijk aan dat de ’Freie Körper Kultur’ inmiddels een feit was.  Aan het eind van de zomer vertrok Maria Schnür naar Parijs, waar zij een zoon kreeg. Marc wilde haar besparen om alleenstaande moeder te zijn, dus trouwde hij met haar. Het huwelijk hield nog geen jaar stand. Vanaf 1908 was Maria Franck de enige partner van Franz Marc en werkten ze  zij aan zij. In 1910 leerden ze August Macke en zijn vrouw kennen, wat tot een hecte vriendschap leidde, ook op artistiek vlak. In dezelfde tijd kwamen de beide koppels ook  in contact met Kandinsky & Münter en Jawlensky & Werefkin. Kandinsky heeft altijd benadrukt dat  Marc een van de pioniers van Der Blaue Reiter is geweest. Wellicht dat zijn vroege dood (Marc stierf tijdens de Eerste Wereldoorlog aan het front in 1916) met deze uitspraken verband houdt. Nog voor de oorlog waren Franz Marc en Maria Franck getrouwd. Na de oorlog heeft Maria Marc nog aan het Bauhaus gestudeerd en een tijd lang in Ascona gewerkt (in de nabijheid van Marianne Werefkin). Tot haar dood heeft ze zich met de beeldende kunsten beziggehouden, zowel met haar eigen werk als met het promoten van het werk van Franz Marc.

Natalia Goncharova (1881-1962)

 

Natalia Goncharova was 17 jaar oud toen zij in 1898 ging studeren aan de kunstacademie in Moskou, zij wilde beeldhouwster worden. Daar leerde zij Mikhail Larionov kennen en besloot, net als hij, te kiezen voor de schilderkunst. Vanaf dat ogenblik waren zij onafscheidelijk en werden belangrijke sleutelfiguren in de  Russische Avant-Garde. Zij ontwikkelden samen o.a. het Rayonisme, een vorm van abstractie die uitging van de beweging van lichtstralen en overeenkomsten had met het kubisme en futurime.
Naast alle moderne ontwikkelingen was Goncharova diep geraakt door de Russische folklore en vooral de centrale rol die vrouwen al eeuwen hadden op het Russische platteland. Ook was zij de leermeester van Malevich, die tegenwoordig als belangrijkste avantgardist wordt gezien. Doordat Goncharova en Larionov in Parijs waren tijdens het uitbreken van de Russische revolutie konden ze niet terug naar Rusland. De rest van hun leven hebben ze samen in ballingschap doorgebracht, schilderend tot het eind…..

Als een van de weinige vrouwelijke kunstenaars heeft Natalia Goncharova nooit in de schaduw gestaan van haar partner. Zij was een pionier in de moderne avant-gardistische kunst aan het begin van de 20e eeuw en verdient haar plaats in de kunstgeschiedenis, net als de andere Amazones van Der Blaue Reiter!

 

Op 8 maart 2012 is mijn boek ‘Herstory of Art’ verschenen waarin ik een overzicht geef van vrouwelijke kunstenaars vanaf de oude steentijd tot het moment waarop de canon van de kunstgeschiedenis werd geschreven (midden 19e eeuw).  Het vervolg ‘Herstory of Modern Art’ behandeld vrouwelijke kunstenaars vanaf het begin van de 19e eeuw tot nu. Op mijn weblog http://www.herstoryofart.wordpress.com schrijf ik over mijn onderzoek en schrijfproces.

Karin Haanappel, kunsthistorica





‘Vrouwen van Aanzien’ tentoonstelling over Etrusken in het RMO Leiden

16 10 2011

Afgelopen vrijdag opende in het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden een deel van de dubbeltentoonstelling over de Etrusken. Het andere deel is te zien in het Allard Pierson Museum in Amsterdam. Leiden ontfermt zich over ’Vrouwen van Aanzien’ en Amsterdam buigt zich over ’Mannen met Macht’.

Op Facebook was vorig weekend een actie: als je een link over deze tentoonstelling deelde met je vrienden en bovendien ’vind ik leuk’ aanklikte, maakte je kans op een uitnodiging voor de officiële opening op vrijdagavond 14 oktober. Deze informatie delen is natuurlijk voor mij geen probleem. Immers, als kunsthistorisch docent attendeer ik mensen wel vaker op interessante exposities. Bovendien was ik wel heel benieuwd naar deze tentoonstelling over de Etrusken, vooral naar het deel in Leiden dat zich specifiek richt op de vrouwen! Tot mijn grote verbazing en vreugde won ik een kaartje……

Het was een hele sfeervolle avond met live muziek, een Toscaanse markt, speedlezingen, speedrondleidingen en uiteraard vrije toegang tot de tentoonstelling ‘Vrouwen van Aanzien’. Mijn keuze was snel gemaakt:
1. speedrondleiding door Ruurd Halbertsma (conservator RMO klassieke wereld)
2. speedlezing ‘Cherchez la femme (on)grijpbare vrouwen in de Vroege Prehistorie van Noordwest Europa’ door Luc Amkreutz (conservator RMO Nederland prehistorie)
3. speedlezing ‘Isis in Valkenburg’ door Olaf Kaper (hoogleraar Egyptologie aan de Universiteit Leiden)
Daarna wilde ik de tentoonstelling rustig bekijken samen met collega-kunsthistorica Marielle Lassche.

Ruurd Halbertsma nam ons tijdens zijn speedrondleiding mee naar een van de stukken uit de vaste collectie van het RMO: de Sarcofaag van Simpelveld. Deze zandstenen sarcofaag was gevonden in Limburg en dateerde uit de Romeinse tijd (175-250). In een kleine 20 minuten kregen we een enthousiast en betrokken verhaal te horen over de achtergrond van deze unieke sarcofaag die aan de binnenkant prachtig gedecoreerd is en het interieur van een kamer moet voorstellen. Op een bank ligt de overleden vrouw. Aan het hoofdeinde staat een stoel met daarnaast een kist. Tegenover de bank staat een rek met daarop drie flessen: een vierkante en twee ronde. Daarnaast staat een wandtafel op drie poten, versierd met leeuwenkoppen en -klauwen, gevolgd door een rek met daarop twee kannen, twee emmers en daarboven drie bekers en een flesje. Daarnaast een kast met twee deuren. Daarnaast een aantal nissen. Tussen de laatste nis en het voeteneinde van de bank is de zijkant van een Romeinse villa weergegeven. In de sarcofaag zijn nog een aantal grafgiften gevonden, hoewel grafrovers de sarcofaag al deels hadden geleegd. Na de feitelijke details kregen we nog een persoonlijk gedicht te horen dat Ruurd Halbertsma geschreven had voor dit unieke topstuk uit de vaste collectie. Hij verhaalde over de ‘Vrouw van Aanzien’ die deze sarcofaag had besteld bij een beeldhouwer…. En terwijl ik luisterde naar de woorden, dacht ik ineens: ‘zou de beeldhouwer ook een vrouw geweest kunnen zijn…. ?

Vervolgens ging ik naar de speedlezing over prehistorische vrouwen! Dezelfde ochtend had ik nog een college gegeven over paleolithische kunst (grotschilderingen en venuskunst) dus ik was wel benieuwd wat ik hier te horen en zien zou krijgen….
Luc Amkreutz nam ons mee terug in de tijd van het late paleolithicum en verontschuldigde zich dat hij wellicht ‘kort door de bocht’ zou zijn, maar het was dan ook een speedlezing. Vol enthousiasme vertelde hij over een periode die doorgaans niet belicht wordt in de kunstgeschiedenis. Toch is het zinvol om juist hier te starten, zodat duidelijk wordt waarom de Etruskische samenleving hoog ontwikkeld en geëmancipeerd was. Uit de oude steentijd, toen de mensen als jager/verzamelaars rondtrokken, is opvallend veel vrouwelijke kunst teruggevonden.

 

Luc Amkreutz benadrukte dat de oude steentijd geen matriarchale samenlevingen heeft gekend, we moeten deze beeldjes niet als godinnen zien. Dat ben ik met hem eens. De beeldjes getuigen van een symbolisch bewustzijn en tonen doorgaans zwangere en vruchtbare vrouwen. Persoonlijk vind ik het belangrijk om naar deze beelden te kijken vanuit de context van de tijd waarin zij zijn gemaakt en niet met de hedendaagse ‘male gaze’. Ik ben het dan ook niet eens met de stelling dat deze beeldjes een voorbeeld van steentijdpornografie zijn. Pornografie is een uitvinding uit veel latere tijden. Veel aannemelijker is het, dat deze beeldjes uitdrukken wat essentieel was voor de jager/verzamelaarscultuur en dat was m.i. de cyclus van het leven. Dat daarbij het vrouwelijke meer in beeld werd gebracht dan het mannelijk is niet verwonderlijk. Immers, vrouwen zijn in staat om leven te dragen, te baren en in stand te houden. In mijn boek ‘Herstory of Art’ (dat 8 maart 2012 gepresenteerd wordt in Singer Laren) zal ik uitvoerig ingaan op deze beeldtraditie en ook verklaren waarom de jager/verzamelaars egalitaire stammen waren. Inderdaad geen matriarchaten, maar sociaal gezien in balans. Er heerste een gelijkwaardigheid tussen de seksen, met elkaar en naast elkaar werd de zorg voor de groep gedeeld. Ieder had daarin zijn/haar eigen taak.

In de nieuwe steentijd ging men over naar landbouw en veeteelt. Ook waren er nog steeds jager/verzamelaars en kwam er een sociale groep bij: herders. Grofweg kun je stellen dat er twee soorten culturen ontstonden uit de samenlevingen die steeds groter werden:
1. egalitaire culturen
2. dominantie culturen
Het grootste verschil is dat egalitaire culturen gericht zijn op zelfvoorziening terwijl dominantie culturen expansiedrift hebben. Lange tijd kunnen deze samenlevingen naast elkaar bestaan, maar uiteindelijk zullen de dominantie culturen de egalitaire culturen koloniseren. Een goed voorbeeld hiervan zijn de Etrusken die uiteindelijk zullen opgaan in het Romeinse Rijk.

De laatste speedlezing die ik bijwoonde, ging over Isis van Valkenburg! Als auteur van ‘Het Parijs van Isis’ was ik zeer benieuwd naar deze lezing. Olaf Kaper toonde een bronzen beeldje uit de vaste collectie van het RMO, slechts 13 cm hoog en gevonden in Valkenburg (Zuid-Holland). Overduidelijk een hellenistische beeldje dat als Isis geïdentificeerd is vanwege de 3 struisvogelveren in haar diadeem. In Valkenburg is overigens geen tempel van Isis geweest.

 

Eerst werd uitgelegd wie Isis eigenlijk was: de grootste en belangrijkste Egyptische godin die door Alexander de Grote over de Hellenistische wereld verspreid raakte en door de Romeinen haar weg vond naar alle uithoeken van het Rijk. Er werden beelden getoond van een Egyptische Isis, zonder struisvogelveren, maar met de horens van Hathor. Jammer dat er geen uitleg over haar naam werd gegeven. Isis is een Griekse vertaling van de Egyptische naam ST, waarschijnlijk uitgesproken als Auset, en betekent letterlijk troon/zetel. Isis draagt doorgaans de hiëroglief van de troon/zetel op haar hoofd zoals te zien is op de cover van mijn boek en op de afbeelding hierboven uit het Louvre,  naast de Isis van Valkenburg. Vervolgens werd duidelijk gemaakt dat Isis in de  Hellenistische en Romeinse tijd een soort metamorfose had doorgemaakt en veel Egyptische attributen was kwijtgeraakt. De Isis van Valkenburg past bij de nieuwe verschijning van Isis. Door het belang van Isis als een van de meest populaire godinnen van het Romeinse Rijk te benadrukken, werd de parallel naar de ‘Vrouwen van Aanzien’ van de Etrusken gemaakt.

En dan de tentoonstelling van de Etrusken in één woord: PRACHTIG

 

Het RMO heeft een zeer sfeervolle opstelling gemaakt, waarbij de kleur rood (zo kenmerkend voor Toscane) een belangrijke rol speelt. Etruskische fresco’s zijn nagemaakt en meer dan 600 museumstukken staan opgesteld. Blikvangers zijn prachtige gouden sieraden, bronzen wapens, beelden van goden en godinnen en rijk versierd aardewerk. Veel van die kostbaarheden zijn gevonden in rijk bedeelde grafkamers. Van deze beroemde prinsen- en prinsessengraven is voor deze tentoonstelling een spectaculaire driedimensionale reconstructie gemaakt. Bovendien zijn er maquettes en reconstructies van tempel- en paleisdaken waarop ooit imposante terracotta beelden prijkten.

Persoonlijk vind ik het erg verrassend om bepaalde elementen uit de Donaucultuur (5000-3500 v. Chr.) terug te zien bij de Etrusken. Ook de Donaucultuur was een hoogontwikkelde en geëmancipeerde maatschappij, nog voor de glorie van de klassieke oudheid en de bekende culturen van Mesopotamië en Egypte. Het zou fantastisch zijn als het RMO in de toekomst een tentoonstelling kan organiseren over deze vergeten wereld van Oud Europa. In 2010 was ‘The Lost World of Old Europe: the Danube Valley’ te zien in New York. Hoe lang zal het duren voordat wij in Nederland de schitterende kunstwerken van de Donaucultuur kunnen bewonderen……

Eerst de Etrusken!! En deze prachtige tentoonstelling kan ik van harte aanbevelen! Nog te zien tot 18 maart 2012. Meer informatie is te vinden op de website van het RMO: http://www.rmo.nl/actueel/tentoonstellingen/etrusken








Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 50 other followers